17. 02. 26
posted by: Super User
Hits: 1051

   

 

     

17. 02. 24
posted by: Super User
Hits: 1352

 

De start van deze mooie, rustige en vooral zonnige tuinendag bracht ons gezelschap in het werelderfgoed van de Beemsterpolder  en wel in het bijzonder in de tuin “Die Lang Huys” van Ria van Eijndhoven & Jan Schoutsen aan Jisperweg 142, 1464 NL Beemster.

 

 

 

 

De ontvangst was hartelijk zowel gastvrouw als gastheer vertelde honderduit over hun historische woonplek en hun voorliefde voor hun tuin. In alle opzichten overtrof de tuin onze stoutste verwachtingen! De bijzondere aanleg van paden en doorkijkjes, de grote verscheidenheid en sublieme kleurschakering van bloemen, planten en bomen, brachten ons gezelschap snel in vervoering. Echt een groenoase die in elk jaargetijde zijn uitzonderlijke schoonheid aan de tuinliefhebbers zal kunnen tonen.

 

 

 

 

 

Na een tuinbezoek van ruim  1½ uur, eigen lijk veel tekort om alles goed te kunnen zien en met elkaar te bespreken, vertrokken wij richting Middenbeemster om vandaar uit met het openbaar vervoer naar Amsterdam te gaan, voor ons middagprogramma. De keuze voor het openbaar vervoer lag voor de hand. Ons bezoek aan de grachtengordel in het historische en drukke stadscentrum zou op zeker een probleem kunnen worden.  De wandeling vanaf het Centraal Station voerde langs het Damrak, over de Dam, langs het Rokin, naar de Munttoren. Via de Vijzelstraat kwamen wij al vrij snel op ons adres aan de Herengracht 518. Het Geelvinck Hinlopenhuis. Hier werden wij welkom geheten door de heer André Ancion, een historicus met ook groene roots als tuinarchitect. Hij vertelde dat het grote grachtenpand een dubbel 17e eeuws grachtenhuis is met een bijbehorend koetshuis (aan de achterzijde aan de Keizersgracht en het werd ooit gebouwd in opdracht van Albert Geelvinck en Sara Hinlopen.  De anekdotes van dhr. Ancion over de wijze waarop de tuinen achter de grachtenpanden door de jaren heen werden aangelegd en onderhouden, waren boeiend en gaven een indruk over de grote problemen die hierbij voor de werklui aan de orde zijn.

 

Bomen, struiken, ornamenten en tuinaarde moesten en moeten ook vandaag de dag nog in de meeste gevallen met kranen vanaf de voorzijde over de huizen getild worden! Dat terwijl het onvermijdbaar leidt tot problemen in de doorstroming van het drukke stadsverkeer. Zowel het interieur van het pand alsook de tuinen en het koetshuis waren een lust voor het oog.

 

 

 

In het souterrain bij Geelvinck Van Hinlopen gebruikten wij vervolgens een eenvoudige lunch, zodat we weer vol het middagprogramma konden vervolgen.

 

 

 

Vanuit het koetshuis aan de achterzijde grenzend aan de Keizersgracht ging de stadswandeling naar het Instituut Francais de Pays-Bas (voorheen het Maison Desartes) aan de Vijzelgracht 2a.  Voorheen was hier het Hospice Wallon ofwel het Wallenweeshuis sedert 1683 gevestigd). Via de bibliotheek konden wij vanachter de oude beglazing in de achtergevel de binnentuinen met fraai aangelegde Buxushaagjes bekijken.

 

 

 

Een oase van rust in de hectische binnenstad va Amsterdam.

 

 

 

Onze wandeling bracht ons naar het “Grill’s Hofje” In 1724 werd dit hofje gesticht door Anthonie en Elisabeth Grill uit dankbaarheid voor het goede werk werd deze huisvesting aangeboden aan Lutherse of Gereformeerde vrouwen en meisjes aan het adres aan de Eerste Weteringsdwarsstraat 19-35. 

 

 

 

 

 

Hoewel het hier géén tuin betrof meende onze rondleider André  ons dit een uitzonderlijk kijkje  niet te moeten onthouden.  Het was een unieke gelegenheid om te mogen zien hoe de alleenstaande vrouwen destijds gehuisvest waren.

 

Vanuit het “Grill’s Hofje “, normaliter niet vrij toegankelijk, voerde onze wandeling naar de Prinsengracht 855-899. Hier kwamen wij bij het “Deutzenhofje” Ook hier een 17e eeuws hofje gesticht uit de nalatenschap van Angeta Deutz en bestemd voor oude dienstboden en arme familieleden.

 

Via een adres aan de Regulierdwarsstraat 28 konden wij via een restaurant in de achtertuinen komen van een reeks oude grachtenpanden van de Gouden Bocht. Voorheen was dit restaurant een van de koetshuizen. De wandeling hier voerde door verschillende tuinen en we waren vooral onder de indruk van de stilte en rust in dit parkachtige deel van het drukke Amsterdam. Via dezelfde weg door het restaurant terug vervolgden wij onze weg naar de laatste stop “Het Begijnhof”. Duidelijk was merkbaar dat dit hofje ruim een meter dieper ligt dan de rest van de binnenstad op middeleeuws straatniveau. Het hof ligt aan et Spui en de bewoonsters of “begijnen” hadden als voornaaste doel het verzorgen van zieken en het geven van onderwijs. Het betrof geen kerkelijke gemeenschap van nonnen, maar wel waren het doorgaans vrome vrouwen die samen de “begijnen”vormden.

 

 

 

Bij dit laatste bezoek namen wij dankbaar voor zijn welbespraaktheid en mooie verhalen afscheid van dhr. Ancion en stappen op de tram om weer richting Centraal Station te gaan. Een wandeling deze keer niet, want we hadden de nodige afstanden inmiddels afgelegd en de vermoeidheid van deze dag werd bij iedereen gevoeld. Wat is de tram dan een welkom vervoersmiddel!

 

De thuisreis vanaf het Centraal Station met de bus van het openbaar vervoer terug naar  Middenbeemster bood ons volop gelegenheid om de ervaringen en indrukken van deze dag samen uitvoerig te bespreken. De rit van een klein halfuurtje zat er op voor we het wisten. De prachtig verlopen tuinendag van deze 30e mei 2015 zat erop en ieder keerde vanaf de Brink in Middenbeemster tevreden huiswaarts.

 

 

 

 

 

Hans de Roos

 

17. 02. 24
posted by: Super User
Hits: 1179

 

De “European Boxwood and Topiary Society” afdeling Nederland.

 

Voor Nederland kortweg: De Nederlandse Buxusclub.

 

 

 

Visie
De Europese Buxus en Topiary Society (EBTS) zet zich in stimuleren en innoveren van teelt en kennis van Buxus en Topiary (vormsnoei) en stimuleert daartoe historisch en wetenschappelijk onderzoek.

 


Doelstellingen
De visie concreet te vertalen naar
publicaties, promoties, tentoonstellingen, historisch en wetenschappelijk onderzoek en via samenwerking en uitwisseling in Europees verband hierop de aandacht te vestigen tijdens conferenties en (tuin)bezoeken, specifieke bijeenkomsten en andere  gerichte activiteiten.

 


Organisatie
Oorspronkelijk werd de internationale vereniging gevormd i
n het Verenigd Koninkrijk in 1996 en werd deze geregistreerd als een formeel erkend Europees orgaan als EBTS Europa. Later werden in Brussel (in 2008) de statuten voor een "Association Internationale sans maar lucratif" (AISBL), ingeschreven. Er zijn nieuwe contacten met relaties in Italië, Portugal en Spanje ook wereldwijd worden nieuwe banden aangehaald onder andere in Australië, Zuid-Afrika en Japan.

 

Elke landelijke afdeling kent haar eigen verantwoordelijk voor de eigen (non-profit) organisatie en de leden betalen een jaarlijkse vergoeding aan de eigen landelijke afdeling, waarmee wordt bijgedragen in de kosten van de vereniging.

 

 

 

De Nederlandse afdeling

 

Secretariaat:

 

Hans de Roos, Keetzijde 14, 1135 VX Edam. Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Penningmeester:

 

Renzo Niehof, G. Boelmanweg 41, 9945 RG Wagenborgen. E-mail Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Bankrekeningnummer:  NL51 RABO 0329 1985 13

 

 

 

De leden

 

Internatonaal bestaan de leden uit tuinhistorici, schrijvers, tuinontwerpers, wetenschappers, boomkwekers, eigenaren van grote en kleine particuliere tuinen, groenprofessionals en groenliefhebbers. Zij vormen samen de ruggengraat van de hele cultuur van het tuinen.

 

 

 

De Topiarius

 

De Topiarius is het jaarlijkse tijdschrift dat gratis wordt afgegeven aan alle leden van EBTS in Europa. Het tijdschrift bevat altijd weer een diversiteit aan artikelen over tuinonderhoud en tuintechniek, historische beschrijvingen en tal van publicaties over tuingerelateerde onderwerpen en natuurlijk foto’s en beschrijvingen van tuinbezoeken in de verschillende landen. De landelijke afdelingen betalen voor de afname van de Topiarius voor hun leden een kostendekkende bijdrage.

 

 

 

De verenigingsgeschiedenis

 

De internationale buxusvereniging vindt zijn oorsprong in het gebruik van de Buxus Sempervirens in onze tuinen en de internationaal gebleken belangstelling. Al vele eeuwen vormt de Buxus Sempervirens het basisplantmateriaal voor tuinen van paleizen, bij statige herenhuizen en in tuinen van landelijke gelegen huizen. De geschiedenis ervan gaat terug tot in de Romeinse tijd.

 

(Foto Tuin in Dordonge, Frankrijk)

 

 

 

De belangstelling voor tuinen en de inrichting ervan en vooral ook de toepassing van de Buxusplant kende door de eeuwen heen perioden van bloei en verval, vaak samenvallend met perioden van voorspoed en groeiende welvaart of juist neergaande periode van armoede en recessie.

 

De grandeur van de grote kasteeltuinen, met de weelderige aanleg in klassieke vormen met haagjes en vormsnoei vergt naast gedegen vakmanschap vanzelfsprekend ook uitzonderlijk veel en vooral arbeidsintensief onderhoud. De instandhouding van de grote kasteeltuinen laat dan ook perioden zien van bloei en uitbundigheid, maar zeker ook van verval en teruggang naar minder arbeidsintensieve tuininrichtingen.

 

 

 

Foto: Tuin bij Kasteel Vendeuvre, een van de mooiste kastelen in Normandië, Frankrijk.

 

 

 

De fotovoorbeelden geven een impressie van de omvang en de arbeidsintensiviteit van dergelijke klassieke formele tuinen, waarin de Buxus Sempervirens door de vanouds bekende snoeimogelijkheden onmiskenbaar het basis plantmateriaal vormde.

 

 

 

De recessie van eind jaren ‘20 en later in de jaren ’60 van de 20e eeuw verdween de Buxus Sempervirens meer en meer uit de Europese tuinen en raakte de toepassing van de Buxus in de vergetelheid. Diverse generaties hebben nog slechts vage herinneringen aan de buxustuin uit grootmoederstijd. Eerst eind van de jaren ’70 van de 20e eeuw ontstond een nieuwe periode waarin internationaal de belangstelling voor tuin en tuinaanleg sterk groeiden. In deze periode kwam ook de Buxus weer in beeld, vooral in de aanleg van hagen en later ook weer als plant voor vormsnoei. Kwekers zagen hierin nieuwe inspiratie voor de verdere ontwikkeling van aantrekkelijke Buxussoorten en door gerichte selectieve kweek kwamen er nieuwe aantrekkelijke verschijningsvormen (cultivars) van specifieke soorten.

 

 

 

Voorbeeld van een meer eigentijdse vooral uitbundige tuininrichting

 

 

 

Voor de particuliere tuinen ontstonden nieuwe uitdagingen. Speciaal voor de vormsnoei lenen zich naast Buxus vooral ook cultivars van plantsoorten als Taxus (Taxus baccata), Hulst (Ilex aquifolium), Haagbeuk (Carpinus betulus) en Beuk (Fagus sylvatica) in zowel klassieke en nieuwe ontwerpen. Ook het toepassen van (metalen of gaaswerk) frames voor de leiden van klimop en clematis wint meer en meer aan populairiteit.

 


In de jaren ’90 ontstond in de Verenigde Staten van Amerika de eerste aansprekende echte “buxusvereniging” (
American Boxwood Society, 1993), later in 1996 gevolgd door de oprichting van de Europese evenknie in de vorm van de European Boxwood and Topiary Society (kortweg: EBTS). De oprichting van deze verenigingen kwam voort uit een brede kring van enthousiaste tuinders, botanisten, kwekers, tuinontwerpers, landschapsarchitecten en tuinhistorici.

 

 

 

Nederland geniet met haar boomkwekerijen grote bekendheid. Vrijwel alle grote parken en tuinen in het buitenland betrekken hun geselecteerde plantmateriaal zoals de Buxus uit Boskoop en omgeving. Op verzoek vanuit Engeland en België werd uiteindelijk in 1998 op initiatieven van Herman en Thea Geers (Boskoop) de Nederlandse afdeling opgericht. De vereniging wordt sindsdien getrokken door Renzo Niehof en Hans de Roos. In 2008 kon een overkoepelende internationale organisatie, de EBTS Europa, worden  gevormd, waarin de afdelingen zijn opgenomen uit het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Nederland en Duitsland.

 

 

 

De internationale vereniging richt zich op deelname aan internationaal belangrijke tuinfairs (festivals), zoals in Engeland de jaarlijkse Chelsea Flowershow en  de Hampton Court bloemenshows. In Nederland wordt (wanneer mogelijk) deelgenomen aan voorjaars- tuinshows (o.a. TuinIdee).  Daarnaast worden bijeenkomsten, vaak op uitgelezen locaties, georganiseerd inclusief  tuinrondleidingen vaak gecombineerd met lezingen. Daarbij komen vakspecialisten samen als botanici of gerenommeerde tuinarchitecten, landschapsarchitecten, evenals kwekers en andere leden van de vereniging. Hier worden tuin- en onderhoudservaringen en technieken onder de aanwezigen uitgewisseld en soms wordt ook (zoals in Frankrijk en Engeland) een veiling georganiseerd met als doel gelden in te zamelen voor de vereniging.

 

 

 

Het internationale karakter van de vereniging en het aanzienlijke aantal leden dat de beschikking heeft over exclusieve particuliere (landschaps)tuinen, bestaat een schat aan mogelijkheden voor indrukwekkende tuinbezoeken op locaties die normaliter niet door de doorsnee tuinliefhebber kunnen worden bezocht.

 

17. 02. 24
posted by: Super User
Hits: 1269

 

Geïntegreerde beheersing van buxus-ziekte cylindrocladium buxicola (oorspronkelijk artikel dateert van 29.09.2014) Oorlog op drie fronten om ziekte in buxus te voorkomen en bestrijden.

 

 

 

 

 

Nu de herfst er zit aan te komen, zijn boomkwekers en tuinliefhebbers opnieuw extra waakzaam voor eventuele schimmelinfecties op de planten. Vochtige ochtenden en avonden gecombineerd met zachte temperaturen werken schimmelvorming in de hand. Ook in de teelt van buxus is het opletten geblazen want daar maakt de venijnige schimmel Cylindrocladium buxicola het de laatste tien jaar nogal bont. De strijd tegen deze schimmel werd in 2009 aangevat door het Proefcentrum voor Sierteelt (PCS) in samenwerking met het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO). Al gauw bleek de bestrijding van de schimmel een complexe zaak, en het werd een strijd op verschillende fronten, aldus Bjorn Gehesquière en Kurt Heungens van ILVO.

 

 

 

Hoe pak je een nieuwe plantenziekte aan?

 

Kurt Heungens: “Tot voor kort was slechts weinig geweten over de ziekte C. buxicola. De boomteeltsector is dan ook bij ons komen aankloppen voor informatie en al gauw hadden we een hele waslijst vragen waar we een antwoord op moesten hebben voor we konden gaan denken aan beheersing van de ziekte: Hoe kan je de schimmel identificeren?” “Welke methodes bestaan er al? Hoe infecteert de schimmel een plant? Hoe overleeft hij?”

 

“Er is dus eerst een intensieve fase van moleculair en empirisch onderzoek geweest. Eén van de belangrijkste ontdekkingen tijdens het moleculair onderzoek was dat er twee genotypes zijn binnen de schimmel: een algemeen G1 genotype, en een recenter geïntroduceerd en zeldzamer G2 genotype. Beide types vertonen verschillen in tolerantie ten opzichte van erkende bestrijdingsmiddelen, dus het is belangrijk om te weten met welk genotype je te maken hebt. We hebben dan ook een techniek ontwikkeld om op een snelle en betrouwbare manier onderscheid te kunnen maken tussen de types bij vaststelling van een infectie.”

 


Hoe wordt een buxus-plant geïnfecteerd door Cylindrocladium buxicola? En welke gevolgen ondervindt de plant van een infectie?

 

Bjorn Gehesquière: “De infectie van een plant gebeurt via sporen van de schimmel. Die kunnen aangevoerd worden via snoeisel of afgevallen bladeren van geïnfecteerde planten, via opspattend regenwater of water van begieting en in mindere mate via kledij, schoeisel en snoeischaren. Sporen gaan kiemen in water op de plant, het zogenoemde ‘bladnat’, en na enkele uren kunnen de infectiedraden de plant binnendringen via de huidmondjes van bladeren en twijgen. Deze infectiedraden veroorzaken vervolgens bruin-zwarte bladvlekken en vaak ook karakteristieke zwarte streepjes in de lengterichting van jonge twijgen. Bij hoge luchtvochtigheid en zachte temperaturen (> 14-15°C) vormt de schimmel nieuwe sporen. In een latere fase gaan de aangetaste bladeren massaal afvallen, waardoor kale plekken ontstaan in de buxus-plant. In geval van extreme aantasting kunnen planten afsterven.

 

 

 

 

 

 

Kunnen de planten beschermd worden tegen infectie?

 

Bjorn Gehesquière:  “Ja, dat kan, maar dat vereist een goede kennis over de verspreiding en overleving van de sporen, over de insleep van C. buxicola in tuinen en kwekerijen en over de weersomstandigheden die vereist zijn voor ziekteontwikkeling. Zo hebben we bijvoorbeeld aangetoond dat de schimmel gedurende meerdere groeiseizoenen kan overleven in afgevallen bladeren door de vorming van verharde schimmelstructuren. Bij hoge luchtvochtigheid kan de schimmel opnieuw sporen produceren en via opspattend water buxus-planten gaan infecteren. Bovendien kunnen geïnfecteerde droge bladeren ook opwaaien en zo de schimmel verspreiden buiten de tuin of kwekerij. Op basis van dergelijke kennis kunnen we aanbevelingen doen voor cultuur- en onderhoudspraktijken.”

 

 

 

Kan je een aantal voorbeelden geven van concrete maatregelen?
Bjorn Gehesquière: “Uit ons onderzoek blijkt dat een tuinier of kweker het voorkomen en de verspreiding van de schimmel kan minimaliseren door de toepassing van vier basismaatregelen. De eerste is uiteraard het verhinderen van de verspreiding van sporen. Aangezien de verspreiding vooral gebeurt bij regenbuien, bovenbegieting en opspattend water, kan verspreiding tegengegaan worden door ruimte te laten tussen planten of teeltblokken, door een goede drainage, door het afdekken van drainagegoten en het toepassen van onderbegieting of druppelirrigatie. Een tweede maatregel is het vermijden van bladnat om zo het infectieproces van C. buxicola te onderbreken.

 

Dat kan opnieuw door onderbegieting, maar ook door het optimaliseren van de luchtcirculatie zodat de planten snel kunnen drogen door de wind. Een goede luchtcirculatie krijg je door de planten niet te dicht opeen te pakken en door muren en hoge hagen te vermijden. Ten derde raden wij een goede werkhygiëne aan. Dit houdt in dat contact tussen kledij en aangetaste planten zo veel mogelijk moet worden vermeden. Indien contact onvermijdelijk is, moeten kledij, schoeisel en snoeischaren worden ontsmet. Daarnaast is het ook essentieel dat aangetast snoeimateriaal en afgevallen bladeren worden vernietigd, dat wil zeggen verbrand of industrieel gecomposteerd. Ten slotte hebben we de regelmatige controle van de buxus-planten als belangrijke vierde maatregel. Bij een snelle detectie van de schimmel kunnen aangetaste delen nog weggesnoeid worden of er kan snel ingegrepen worden met chemische middelen.”

 

 

Welke chemische middelen bedoel je dan?

 

Bjorn Gehesquière: “Uit ons efficiëntieonderzoek in samenwerking met het PCS en ADLO zijn erkenningen gevolgd voor middelen op basis van de volgende actieve stoffen: tetraconazool, kresoxim-methyl, azoxystrobine plus difenoconazool, thiofanaat-methyl, chloorthalonil. Duurzaam en correct gebruik met minimale kans op resistentievorming is hierbij essentieel. We passen de fungiciden met andere woorden toe binnen het kader van een ‘Integrated Pest Management’ (IPM) of geïntegreerde beheersingsstrategie. Om het risico op resistentievorming te beperken is het noodzakelijk om het inzetten van de fungiciden tussen opeenvolgende behandelingen af te wisselen met producten uit de verschillende chemische groepen. Een correct gebruik van fungiciden betekent ook dat de aanbevolen concentraties gerespecteerd worden: een te hoge concentratie kan leiden tot beschadiging van de buxus-planten, waardoor zwakte-pathogenen, zoals de schimmel Volutella buxi, kunnen binnendringen. Een te lage concentratie daarentegen zal C. buxicola niet tegenhouden en zelfs zorgen voor selectiedruk waardoor resistente isolaten kunnen ontstaan. Het is ook belangrijk dat de fungiciden worden ingezet op het juiste moment: een lichte aantasting door C. buxicola kan zich onder de juiste weersomstandigheden, dat wil zeggen nat en relatief warm, explosief uitbreiden. Een preventieve behandeling van aangetaste plantpartijen bij voorspelling van dergelijke weersomstandigheden kan de ziekteontwikkeling in toom houden.”

 

 

 

Je kan de fungiciden dus zowel inzetten voor en na de infectie is ingezet?

 

Bjorn Gehesquière: “Inderdaad, wij noemen dat preventieve behandeling, ‘beschermend’, en curatieve behandeling, ‘genezend’. Alle fungiciden erkend tegen C. buxicola beschikken over een goede preventieve werking, maar ze zijn veel minder effectief wanneer ze curatief worden ingezet. Sommige fungiciden vertonen nog een curatieve werking in jong schot, maar geen enkel fungicide werkt adequaat tegen een aantasting van de afgeharde bladeren. Dit betekent niet dat de behandeling van aangetaste planten geen nut heeft: de preventieve werking van de fungiciden kan wel degelijk verdere verspreiding tegengaan. Uiteindelijk zullen de aangetaste bladeren indrogen en afvallen, waarna de plant zich door nieuwvorming van scheuten kan herstellen. Omwille van de moeilijke curatieve behandeling van de schimmel is een behandeling direct na waarneming van de eerste symptomen aan te raden. Bij elke behandeling is het ook belangrijk om te weten met welk genotype je te maken hebt, want er werd bijvoorbeeld aangetoond dat de actieve bestanddelen tetraconazool en kresoxim-methyl niet werkzaam zijn tegen G2 isolaten, terwijl ze nochtans erg effectief zijn tegen G1 isolaten.”

 

 

 

Dit lijkt allemaal heel complex. Is dat wel haalbaar voor kwekers en tuinders?
Kurt Heungens:  “Het aanpassen van de cultuurtechniek en het gebruik van fungiciden kunnen inderdaad een grote druk leggen op kwekers en tuinders. Bovendien stuit het gebruik van fungiciden op steeds meer verzet bij de publieke opinie en worden wereldwijd actieve stoffen van de markt gehaald. Zo zijn er recent beperkingen ingevoerd op het gebruik van chloorthalonil, een belangrijke stof in de bestrijding van C. buxicola. Daarom zijn we op zoek gegaan naar buxus-soorten en cultivars die minder vatbaar zijn voor deze ziekte. We hebben de gevoeligheid getest van 33 types op vlak infectiegevoeligheid, de grootte van de bladvlekken en de productie van schimmelsporen. Op basis van dat onderzoek kunnen de geteste buxus-soorten en -cultivars onderverdeeld worden in drie ‘gevoeligheidsklassen’. ‘Klasse C’ waardplanten zijn ‘zeer gevoelig’, moeten goed in de gaten gehouden worden en hebben een voortdurende behandeling met fungiciden nodig om de ziekte blijvend onder controle te houden. De buxus-cultivars binnen ‘klasse B’ worden beschouwd als ‘matig gevoelig’. Hoewel deze waardplanten gedurende het grootste deel van het jaar weinig problemen ondervinden, kan de ziekte onder de juiste weersomstandigheden toch explosief uitbreiden. Bij deze groep zijn vooral preventieve behandelingen afhankelijk van het weer belangrijk. Planten binnen ‘klasse A’ ten slotte ondervinden in het algemeen weinig problemen met de ziekte, zelfs onder regenachtige weersomstandigheden. Mits een goede cultuurtechniek, moeten deze planten slechts zelden of nooit behandeld worden met fungiciden.”

 

 

 

Klinkt goed, maar zijn deze minder gevoelige cultivars van dezelfde kwaliteit als de klassieke?

 

Kurt Heungens: “Veel klasse A en B buxus-soorten, zoals een aantal B. microphylla cultivars, en soorten zoals B. bodinieri, B. balearica en B. harlandii, ondervinden in praktijk veel minder problemen met C. buxicola, maar blijken minder te beantwoorden aan het beeld van de ‘traditionele’ buxus-plant. Toch lijkt de lage vraag vooral een kwestie van ‘onbekend dus onbemind’: deze soorten kunnen naar de toekomst toe een waardevolle bijdrage leveren aan het assortiment omwille van hun enorme diversiteit en rijkdom aan kleur, groeiwijzen en toepassingsmogelijkheden. Hun lage gevoeligheid voor C. buxicola kan het grote publiek ertoe overhalen om deze alternatieve soorten in de toekomst uit te proberen, al dan niet met een andere functionaliteit én een andere belevingswijze. De omschakeling zal dus inspanning vereisen, maar kan ook gezien worden als een opportuniteit.

 

Een breed soortenassortiment met uiteenlopende gebruikswaarden kan gepromoot worden als een absolute sterkte van de Vlaamse buxus-sector! Buxus heeft immers meer mogelijkheden dan snoeivormen en lage haagjes: er bestaan lage, bodembedekkende soorten die zeer weinig onderhoud vragen, en voor hoge hagen kan men snelgroeiende cultivars met een opwaartse groeiwijze gebruiken. Bepaalde cultivars groeien van nature uit tot prachtige solitaire struiken of zelfs kleine bomen, die de tuin een uniek karakter en eigenheid kunnen geven.”

 

 

 

Om alles nog even op een rijtje te zetten: hoe kunnen we infecties met C. buxicola voorkomen en bestrijden?

 

Kurt Heungens: ” Voor een effectieve beheersing van C. buxicola moet je strijd voeren op drie fronten: een goede cultuurtechniek, chemische bestrijding en een goede cultivarkeuze. De haalbaarheid en het belang van die drie factoren kunnen sterk verschillen voor kwekers, professionele tuinonderhouders en particuliere tuinliefhebbers, maar het verhinderen van insleep van de ziekte moet steeds een prioriteit zijn. Eens de ziekte aanwezig is in een tuin of kwekerij, kunnen cultuurtechnische maatregelen op zich de ontwikkeling en verspreiding van de ziekte waarschijnlijk niet verhinderen, vooral in relatief warme periodes met zware regenval en bij gebruik van een gevoelige cultivar. Via cultuurtechnische maatregelen kan de ziektedruk wel fel verminderd worden en de verspreiding vertraagd, waardoor chemische behandelingen effectiever kunnen toegepast worden en de schade vooral op minder gevoelige cultivars beperkter zal zijn.

 

 

 

Beeld: ILVO / Herplant, in samenwerking met: Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek .

 

Bron:  Gazet van Antwerpen

 

11. 01. 01
posted by: Super User
Hits: 29564

 

De “European Boxwood and Topiary Society” afdeling Nederland.

 

Voor Nederland kortweg: De Nederlandse Buxusclub.

  

Visie
De Europese Buxus en Topiary Society (EBTS) zet zich in stimuleren en innoveren van teelt en kennis van Buxus en Topiary (vormsnoei) en stimuleert daartoe historisch en wetenschappelijk onderzoek.

 
Doelstellingen
De visie concreet te vertalen naar
publicaties, promoties, tentoonstellingen, historisch en wetenschappelijk onderzoek en via samenwerking en uitwisseling in Europees verband hierop de aandacht te vestigen tijdens conferenties en (tuin)bezoeken, specifieke bijeenkomsten en andere  gerichte activiteiten.

 Organisatie
Oorspronkelijk werd de internationale vereniging gevormd i
n het Verenigd Koninkrijk in 1996 en werd deze geregistreerd als een formeel erkend Europees orgaan als EBTS Europa. Later werden in Brussel (in 2008) de statuten voor een "Association Internationale sans maar lucratif" (AISBL), ingeschreven. Er zijn nieuwe contacten met relaties in Italië, Portugal en Spanje ook wereldwijd worden nieuwe banden aangehaald onder andere in Australië, Zuid-Afrika en Japan 

Elke landelijke afdeling kent haar eigen verantwoordelijk voor de eigen (non-profit) organisatie en de leden betalen een jaarlijkse vergoeding aan de eigen landelijke afdeling, waarmee wordt bijgedragen in de kosten van de vereniging.

De Nederlandse afdeling 

Secretariaat: 

Hans de Roos, Keetzijde 14, 1135 VX Edam. Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 Penningmeester: 

Renzo Niehof, G. Boelmanweg 41, 9945 RG Wagenborgen. E-mail Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 

Bankrekeningnummer:  NL51 RABO 0329 1985 13

 De leden 

Internatonaal bestaan de leden uit tuinhistorici, schrijvers, tuinontwerpers, wetenschappers, boomkwekers, eigenaren van grote en kleine particuliere tuinen, groenprofessionals en groenliefhebbers. Zij vormen samen de ruggengraat van de hele cultuur van het tuinen. 

De Topiarius 

De Topiarius is het jaarlijkse tijdschrift dat gratis wordt afgegeven aan alle leden van EBTS in Europa. Het tijdschrift bevat altijd weer een diversiteit aan artikelen over tuinonderhoud en tuintechniek, historische beschrijvingen en tal van publicaties over tuingerelateerde onderwerpen en natuurlijk foto’s en beschrijvingen van tuinbezoeken in de verschillende landen. De landelijke afdelingen betalen voor de afname van de Topiarius voor hun leden een kostendekkende bijdrage.

De verenigingsgeschiedenis 

De internationale buxusvereniging vindt zijn oorsprong in het gebruik van de Buxus Sempervirens in onze tuinen en de internationaal gebleken belangstelling. Al vele eeuwen vormt de Buxus Sempervirens het basisplantmateriaal voor tuinen van paleizen, bij statige herenhuizen en in tuinen van landelijke gelegen huizen. De geschiedenis ervan gaat terug tot in de Romeinse tijd.

 

(Foto Tuin in Dordonge, Frankrijk)

 De belangstelling voor tuinen en de inrichting ervan en vooral ook de toepassing van de Buxusplant kende door de eeuwen heen perioden van bloei en verval, vaak samenvallend met perioden van voorspoed en groeiende welvaart of juist neergaande periode van armoede en recessie.  

De grandeur van de grote kasteeltuinen, met de weelderige aanleg in klassieke vormen met haagjes en vormsnoei vergt naast gedegen vakmanschap vanzelfsprekend ook uitzonderlijk veel en vooral arbeidsintensief onderhoud. De instandhouding van de grote kasteeltuinen laat dan ook perioden zien van bloei en uitbundigheid, maar zeker ook van verval en teruggang naar minder arbeidsintensieve tuininrichtingen.

 

  

Foto: Tuin bij Kasteel Vendeuvre, een van de mooiste kastelen in Normandië, Frankrijk.

 De fotovoorbeelden geven een impressie van de omvang en de arbeidsintensiviteit van dergelijke klassieke formele tuinen, waarin de Buxus Sempervirens door de vanouds bekende snoeimogelijkheden onmiskenbaar het basis plantmateriaal vormde. 

De recessie van eind jaren ‘20 en later in de jaren ’60 van de 20e eeuw verdween de Buxus Sempervirens meer en meer uit de Europese tuinen en raakte de toepassing van de Buxus in de vergetelheid. Diverse generaties hebben nog slechts vage herinneringen aan de buxustuin uit grootmoederstijd. Eerst eind van de jaren ’70 van de 20e eeuw ontstond een nieuwe periode waarin internationaal de belangstelling voor tuin en tuinaanleg sterk groeiden. In deze periode kwam ook de Buxus weer in beeld, vooral in de aanleg van hagen en later ook weer als plant voor vormsnoei. Kwekers zagen hierin nieuwe inspiratie voor de verdere ontwikkeling van aantrekkelijke Buxussoorten en door gerichte selectieve kweek kwamen er nieuwe aantrekkelijke verschijningsvormen (cultivars) van specifieke soorten.

 

Voorbeeld van een meer eigentijdse vooral uitbundige tuininrichting

 Voor de particuliere tuinen ontstonden nieuwe uitdagingen. Speciaal voor de vormsnoei lenen zich naast Buxus vooral ook cultivars van plantsoorten als Taxus (Taxus baccata), Hulst (Ilex aquifolium), Haagbeuk (Carpinus betulus) en Beuk (Fagus sylvatica) in zowel klassieke en nieuwe ontwerpen. Ook het toepassen van (metalen of gaaswerk) frames voor de leiden van klimop en clematis wint meer en meer aan populairiteit.


In de jaren ’90 ontstond in de Verenigde Staten van Amerika de eerste aansprekende echte “buxusvereniging” (
American Boxwood Society, 1993), later in 1996 gevolgd door de oprichting van de Europese evenknie in de vorm van de European Boxwood and Topiary Society (kortweg: EBTS). De oprichting van deze verenigingen kwam voort uit een brede kring van enthousiaste tuinders, botanisten, kwekers, tuinontwerpers, landschapsarchitecten en tuinhistorici.

 Nederland geniet met haar boomkwekerijen grote bekendheid. Vrijwel alle grote parken en tuinen in het buitenland betrekken hun geselecteerde plantmateriaal zoals de Buxus uit Boskoop en omgeving. Op verzoek vanuit Engeland en België werd uiteindelijk in 1998 op initiatieven van Herman en Thea Geers (Boskoop) de Nederlandse afdeling opgericht. De vereniging wordt sindsdien getrokken door Renzo Niehof en Hans de Roos. In 2008 kon een overkoepelende internationale organisatie, de EBTS Europa, worden  gevormd, waarin de afdelingen zijn opgenomen uit het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Nederland en Duitsland.

De internationale vereniging richt zich op deelname aan internationaal belangrijke tuinfairs (festivals), zoals in Engeland de jaarlijkse Chelsea Flowershow en  de Hampton Court bloemenshows. In Nederland wordt (wanneer mogelijk) deelgenomen aan voorjaars- tuinshows (o.a. TuinIdee).  Daarnaast worden bijeenkomsten, vaak op uitgelezen locaties, georganiseerd inclusief  tuinrondleidingen vaak gecombineerd met lezingen. Daarbij komen vakspecialisten samen als botanici of gerenommeerde tuinarchitecten, landschapsarchitecten, evenals kwekers en andere leden van de vereniging. Hier worden tuin- en onderhoudservaringen en technieken onder de aanwezigen uitgewisseld en soms wordt ook (zoals in Frankrijk en Engeland) een veiling georganiseerd met als doel gelden in te zamelen voor de vereniging.

 Het internationale karakter van de vereniging en het aanzienlijke aantal leden dat de beschikking heeft over exclusieve particuliere (landschaps)tuinen, bestaat een schat aan mogelijkheden voor indrukwekkende tuinbezoeken op locaties die normaliter niet door de doorsnee tuinliefhebber kunnen worden bezocht.